Wéten dat alcohol slecht is, was voor mij niet genoeg
2 Min.
Persoonlijk
.jpg)
In januari krijgt alcohol altijd net even wat meer aandacht dan in de rest van het jaar. Dan lees je weer wat alcohol met je gezondheid doet. Dat het slecht is voor je hersenen, dat het invloed heeft op je slaap, dat één glas gemakkelijk meer glazen worden en dat je waarschijnlijk afvalt als je stopt.
Ik wist dat allemaal.
En toch dronk ik.
Sterker nog: dit soort informatie zorgde er bij mij regelmatig voor dat ik de touwtjes rondom alcohol weer even aantrok.
Dan besloot ik minder te drinken. Alleen in het weekend. Een tijdje helemaal niet. Of ik maakte andere afspraken met mezelf waarvan ik op dat moment echt dacht dat ik me eraan zou gaan houden.
Want alcohol was slecht voor me.
Alleen hield dat argument bij mij nooit zo lang stand.
Na een tijdje dacht ik namelijk: ja, maar alles is slecht voor je. Je gaat uiteindelijk toch dood. Ik wil ook een beetje genieten van mijn leven.
En dan begon ik gewoon weer.
Ik had geen gebrek aan informatie
Dat zie ik achteraf heel duidelijk. Ik hoefde helemaal niet nóg een artikel te lezen over de gezondheidsrisico's van alcohol.
Ik wist al lang dat alcohol niet gezond was.
Ik wist ook dat ik me de volgende dag regelmatig ellendig voelde. Dat ik slechter sliep. Dat ik meer dronk dan ik van tevoren van plan was. Dat ik dagen had waarop ik mezelf beloofde dat ik het de volgende keer echt anders zou doen.
Het probleem was niet dat ik niet wist waarom ik minder zou moeten drinken.
Het probleem was dat ik óók heel goed wist waarom ik wél wilde drinken. Alcohol deed namelijk iets voor me.
Het zorgde ervoor dat mijn hoofd even stiller werd. Dat ik minder voelde. Dat ik gemakkelijker ontspande. Dat sociale situaties soepeler voelden. Dat ik minder bezig was met mezelf en met alles wat er om me heen gebeurde.
En zolang alcohol me dat gaf, verloor het is slecht voor je het uiteindelijk steeds van ja, maar ik wil dit nu.
De volgende dag betaalde ik ervoor
Het vervelende was alleen dat het effect tijdelijk was. De rust die ik 's avonds zo prettig vond, betekende niet dat alles wat er daarvoor in mij speelde ineens verdwenen was.
De volgende dag was het er weer.
En dan was ik óók nog moe of brak.
Mijn hoofd was niet rustiger maar juist onrustiger. Ik baalde van mezelf. Ik kon minder hebben. Dingen waar ik normaal energie voor had, voelden ineens als moeite.
En dan begon het bekende gesprek in mijn hoofd weer.
"Waarom heb ik nou weer zoveel gedronken?" en
"Waarom kan ik niet gewoon na twee glazen stoppen?" en "Nu ga ik het echt anders doen".
Tot ik me weer goed voelde en de redenen om te drinken langzaam belangrijker werden dan de redenen om het niet te doen.
Uiteindelijk werd een andere vraag belangrijker
Ik ben pas anders naar mijn alcoholgebruik gaan kijken toen ik minder geïnteresseerd raakte in de vraag waarom alcohol slecht voor me was. Dat wist ik inmiddels wel.
Veel interessanter werd:
Waarom wil ik het eigenlijk zo graag?
Wat levert het me op? Waarom voelt een avond mét alcohol anders dan een avond zonder? Wat gebeurt er vlak voordat ik behoefte krijg aan een glas? En wat probeer ik op dat moment eigenlijk te veranderen aan hoe ik me voel?
Dat waren voor mij veel interessantere vragen dan hoeveel glazen per week gezond zijn. Want ineens ging het niet meer over een regel waaraan ik me moest houden.
Het ging over mij.
En toen ik eenmaal begon te begrijpen waarom ik dronk, werd ook steeds duidelijker waarom alle regels die ik mezelf daarvoor had opgelegd nooit echt hadden gewerkt.
Ik probeerde steeds iets weg te halen wat voor mij nog een functie had.
Geen wonder dat ik het terug wilde. Achteraf vind ik het bijna grappig hoeveel tijd ik heb besteed aan de vraag hoe ik mezelf zover kon krijgen om minder te drinken.
Terwijl de veel interessantere vraag al die tijd was waarom ik het überhaupt nog nodig had.



.jpg)